Joanna Bailie: 1979

share:

1979

for 8 musicians and electronics (45')
   
To be premiered in Donaueschingen in October 2022
    

Roll Call

for piano, tape and video (2018, 16')
   

   
Composition Joanna Bailie
Light & scenography David Weber-Krebs
Production ictus
Commission Donaueschinger Musiktage

The Joanna Bailie website

1979: Preliminary note by Joanna Bailie

   
The work is inspired by a short story by the German writer Salomo Friedlaender “Goethe speaks into the phonograph” from 1916 and reproduced in its entirety in Friedrich Kittler’s Gramophone Film Typewriter. It concerns the story of a professor, who in order to impress the woman he loves, visits Goethe’s study, and endeavours to capture the long dead author’s voice and reproduce it. The professor’s experiment is based on the theory that no sound in a space is ever really truly lost — that sound waves continue to exist long after the initial source has left the room, bouncing between the walls at ever more minuscule amplitudes for eternity.

memory of a space
Friedlaender’s story inhabits an intersection between the advent of recording technology, science fiction, memory and poetics, and it is this location that serves as the starting point for something more contemporary: a piece for a world that has forgotten how things work. One hundred years after the story was written we still have no way of detecting or capturing these super-low amplitude sound waves, or indeed have any proof that they exist at all. What is certain though, is that the very idea of them, of their steady and quiet accumulation into a theoretical background noise, and the way they might function as a kind of memory of a space, is a seductive one. The normal notions of sound as ephemeral and intangible are turned on their head, and replaced by the idea of sound as a growing substance.

from noise to song
What would we hear in a space then, if we could pump up the volume of everything that ever sounded in it? In 1979 musicians and speakers line the perimeter of a room, representing the points where sounds bounce against the walls, in a staging of a very theoretical idea. The history of a space is truncated through a kind of sonic equivalent of time-lapse photography into a 45 minute-performance. Time is run backwards in this piece, so that it starts with the moment of maximum aggregation of sound, and gradually unravels until the initial ‘noise’ is resolved into individual strands of song. Speculative science and complexity are counterbalanced by a transparency of approach and a desire to find the human story at the core of the theory. Sonic reverberation (or ‘echo’) becomes a phenomenon in which history reveals itself, and provides the basis for an alternative kind of musical dramaturgy

1979: Voorwoord door Joanna Bailie

De productie is geïnspireerd op een kortverhaal van de Duitse schrijver Salomo Friedlaender ‘Goethe spricht in den Phonographen’, geschreven in 1916 en in zijn geheel opgenomen in Friedrich Kittlers boek Gramophone, Film, Typewriter. Het kortverhaal vertelt hoe een professor, die indruk wil maken op de vrouw van wie hij houdt, een bezoek brengt aan Goethes studeerkamer en probeert de stem van de allang overleden schrijver te vangen en te reproduceren. Het experiment van de professor is gebaseerd op de theorie dat geen enkel geluid in een ruimte ooit volledig verloren gaat – dat geluidsgolven blijven bestaan lang nadat de oorspronkelijke bron de kamer heeft verlaten, en op een steeds kleiner wordende amplitude heen en weer stuiteren tussen de muren, tot in de eeuwigheid.

het geheugen van een ruimte
Friedlaenders verhaal situeert zich op het kruispunt van de eerste opnametechnologie, sciencefiction, het geheugen en poëzie, en die plek is het uitgangspunt voor een meer hedendaagse benadering: een stuk voor een wereld die vergeten is hoe dingen werken. Honderd jaar nadat het verhaal is geschreven, zijn we er nog altijd niet in geslaagd die geluidsgolven op extreem lage amplitudes te ontdekken of te capteren, we hebben nog niet eens bewezen dat ze überhaupt bestaan. Wat we daarentegen wel zeker weten, is dat het idee dat ze bestaan, dat ze zich continu, stilletjes op elkaar stapelen tot theoretisch achtergrondlawaai, en dat ze misschien een soort geheugen van een ruimte vormen, een heel verleidelijk idee is. De gangbare theorieën dat geluid vluchtig en ongrijpbaar is, worden op hun kop gezet en vervangen door het idee dat geluid een materie is die groeit.

van geluid naar lied
Wat zouden we horen in een ruimte als we het volume kunnen versterken van alles wat ooit in die ruimte heeft weerklonken? In 1979 staan muzikanten en sprekers langs de muren van een vertrek, ze symboliseren de punten waar geluiden tegen de muren botsen, een enscenering van een heel theoretisch idee. De geschiedenis van een ruimte is in stukken verdeeld door een soort sonisch equivalent van time-lapse fotografie en zo ontstaat er een performance van 45 minuten. In deze productie wordt de tijd achteruitgedraaid, de voorstelling begint dus met een maximale verzameling geluiden en die worden beetje bij beetje ontrafeld tot men terugkeert tot bij het allereerste ‘geluid’, losse liedflarden. De speculatieve wetenschap en de complexiteit krijgen een tegengewicht mee, de transparante aanpak en het verlangen om het menselijke verhaal te vinden dat de kern van deze theorie vormt. Sonische weerkaatsing (of ‘echo’) ontpopt zich tot een fenomeen waarbij de geschiedenis zichzelf onthult en vormt de basis voor een alternatieve muzikale dramaturgie.

1979 : Note préliminaire de Joanna Bailie

L’œuvre s’inspire d’une nouvelle de l’auteur allemand Salomo Friedlaender, « Goethe parle dans le phonographe » (1916), reproduite dans son intégralité dans « Gramophone, Film, Typewriter » de Friedrich Kittler. Il s’agit de l’histoire d’un professeur qui, pour impressionner la femme qu’il aime, se rend dans le bureau de Goethe en vue de capturer la voix de l’auteur disparu depuis longtemps et de la reproduire. L’expérience du professeur est basée sur la théorie selon laquelle aucun son n’est jamais vraiment perdu dans un espace – l’onde sonore continue d’exister longtemps après que sa source a quitté la pièce, rebondissant pour l’éternité sur les murs, à des amplitudes de plus en plus faibles.

mémoire d’un espace
Le récit de Friedlaender, à la croisée entre science-fiction et poésie, traite à la fois de mémoire et de progrès des technologies d’enregistrement. Il sert de point de départ à un projet plus contemporain : une œuvre pour un monde qui a oublié comment les choses fonctionnent. Cent ans après la publication de cette nouvelle, nous n’avons toujours aucun moyen de détecter ou de capturer ces ondes sonores de très faible amplitude, ni même de prouver qu’elles existent réellement. Ce qui est certain, en revanche, c’est que l’idée même de leur présence, de leur accumulation progressive et silencieuse en un bruit de fond théorique et de la façon dont elles pourraient faire office de mémoire d’un espace, est séduisante. Le son n’est plus considéré comme éphémère et intangible, mais comme une substance évolutive.

du bruit au chant
Qu’entendrions-nous si nous pouvions augmenter le volume de tous les sons jamais produits dans un espace ? Dans 1979, des musiciens et haut-parleurs délimitent le périmètre d’une pièce. Ils représentent les points où les sons rebondissent sur les murs, mettant ainsi en scène une idée très théorique. L’histoire de la pièce est présentée dans une performance de 45 minutes, via une sorte d’équivalent sonore du time-lapse. L’œuvre remonte le temps : elle commence au moment où le maximum de sons sont accumulés, puis revient progressivement en arrière jusqu’au « bruit » initial, qui est décomposé en éléments chantés individuels. La spéculation et la complexité sont compensées par une approche transparente et la volonté de découvrir l’histoire humaine au cœur de la théorie. La réverbération du son (ou « écho ») offre ainsi une possibilité de découvrir l’histoire et forme la base d’une forme alternative de dramaturgie musicale.