|
|
|
|
|
|
gesprek
met thierry de mey Jeugd Het was
dezelfde impuls die me in mijn jeugd tot film en muziek heeft gebracht. Zoals
dat vaak gaat vormde een ontmoeting de katalysator. In mijn geval was dat een
professor van de IAD, de filmschool in Brussel - en ik vraag me af of die
meneer nog leeft, die Henri Van Lier, die met grote gebaren voor de automaat
met ‘van jaartal voorziene coca-cola’ debiteerde en het over Warhol en
Barthes had, en ons door elkaar Foucault, Lacan en Deleuze liet lezen?
Waarschijnlijk begrepen weer niet veel van, maar in zijn lessen was er één
rode draad: dat een oprecht artistiek engagement ondersteund kan worden
(volgens mij moet ondersteund worden) door een
begrippenapparaat, en zelfs, meer specifiek, door een zin voor mathematische
structuur: een verlangen naar strengheid, dat ik afmeet aan het aantal uren
dat ik destijds doorbracht in clubs en met wedstrijden van het go-spel. Het was
deze Van Lier die me op een dag een 33-toerenplaat gaf (muziek ‘om liggend
naar te luisteren’ zei hij) met ‘Four Organs’ van Steve Reich. Wat een
ervaring!... De ritmische verschuivingen, de opvallende structuur en
anderzijds die flarden van chaotische stadsklanken... Dat was een revelatie.
Vandaar: reizen per autostop om de creatie van ‘Drumming’ en ‘Music for
Eighteen Musiciens’ te kunnen bijwonen_ Gevolgd door een andere
pelgrimstocht: naar de St.-Trinité om Messiaen aan het orgel te horen
improviseren. Vreemd en mooi beeld: in de kerk aan de ene kant de parochianen
die naar het altaar gekeerd zijn en tegenover hen de melomanen die met hun
gezicht naar het orgel zitten... De centrale
zenuw: het ritme als beweging De impact
van het onderwijs van Van Lier werd dan versterkt, versneld door een tweede
ontmoeting - één meester is immers te veel of te weinig, je moet er minstens
twee hebben. Via mijn zuster Michèle-Anne, die aan de Mudra (school van
Béjart) dans studeerde, ontmoette ik Fernand Schirren, toen ‘professor in
ritme’, een percussionist die verbonden was aan het Ballet van de 20ste eeuw
en stille films begeleidde in het filmmuseum van Brussel. Een soort uitermate
aanbiddelijke Zarathoestra van de Barastraat - en ik geef daaraan een zeer
precieze betekenis: deze stad met vele lagen, een eeuwige bouwput, bevordert
de kritische geest, en functioneert als een ironisch decoderingsapparaat van
verstarde systemen. Schirren had een consistente visie op de kwestie van
ritme en beweging. Of beter gezegd: op het ritme als beweging. Zijn
‘filosofie van het ritme’ was ingebed in een dualisme, dat hij naargelang het
hem uitkwam op alle mogelijke domeinen toepaste. Zijn concepten op dit vlak
waren vervat in twee onomatopeeën: het ‘hé’ en de ‘boem’. Het ‘hé’ verwijst
naar het begin van de ritmische beweging, de uiting, de sprong, de boog en
bij uitbreiding het verschil, de individuatie. De ‘boem’ verwijst naar het
punt van aankomst, de rust, en bij uitbreiding hetzelfde, de verdeling. Op
esthetisch vlak induceert deze visie een onoplosbare spanning tussen de twee
polen: ze belet ons zowel de onderdompeling in hetzelfde - het repetitieve -
als het verlies van elke richtpunt door het altijd verschillende (dat, via
het algemeen verbreide serialisme, de musical correctness van die tijd
uitmaakte). Tussen het hé en de boem, op de top van de curve, als sluitsteen
van de ritmische continuïteit, ligt de ictus, een term ontleend aan de klassieke
prosodie. Schirren
stond, wellicht zonder het te weten, niet veraf van Sint-Augustinus wiens
ideeën over ritme terug te vinden zijn in de Graduale van de gregoriaanse
zang: het gezongen ritme wordt er voorgesteld door middel van de voetstap,
waarbij de volgende stap reeds vervat zit in de gedane stap. En het wordt nog
verder geëxpliciteerd met de - in feite zeer fractale - metafoor van de grote
golving die de oceaan moduleert, terwijl ze zelf gemoduleerd wordt door de
kleinere golvingen waaruit ze is samengesteld. Cruciale
les. Wat daarbij grote indruk op me maakte en vandaag nog steeds mijn
leidraad vormt, is de weigering om het ritme te zien als een loutere
combinatoriek van lengtes binnen een tijdsschema, binnen een afgebakende
tijd. De ritmische combinatoriek interesseert me, ze interesseert me zelfs
enorm veel, en ik heb een hele persoonlijke bibliotheek van ritmische
algoritmen aangelegd; maar daarbij is het erg belangrijk om nooit de intuïtie
van het opspringen, van het spel met opgaande en neergaande bewegingen los te
laten. Een compositie mag zich alles permitteren, op voorwaarde dat ze de
intuïtie van de beweging niet vergeet. Dat is de hele kwestie. Daarin ligt
ook het grote conflict, mijn grote weigering om het componeren te zien als
een zelfverwijzend syntactisch systeem. Een calculus is goed als hij de
ritmische curves versterkt en vervlecht, als hij de bewegingen in nieuwe
topologieën projecteert; maar als hij de curve loslaat, als hij de boog
doorbreekt, is hij slecht. Dat is wellicht mijn enige waardeschema, de
centrale zenuw van mijn schriftuur, die erover beslist wat ik behoud en wat
ik schrap. Het komt neer op de idee van de wiskundige René Thom de auteur
van de catastrofetheorie - een idee waarvan Lacan zo onder de indruk was: ‘wat het ware
begrenst, is niet het verkeerde, maar het betekenisloze’. Wat ik, in de
context van mijn werk, van de eisen die ik mezelf stel, betekenisloos noem is
een muzikale tijd die voorbijgaat zonder op te springen Het
componeren in dialoog met andere disciplines Het
volstaat niet om principes en intuïties te hebben, je moet ook nog een leven
hebben waarin ze bruikbaar zijn. Min of meer vrijwillig heb ik ervoor gekozen
om zo weinig mogelijk ‘zuivere muziek’ te schrijven, muziek die vooral
bestemd is voor concerten. Het merendeel van wat ik totnogtoe schreef, zelfs
als ik het als een soevereine muzikale praktijk beschouw (‘ik maak geen
behangpapier’, zoals Strawinsky zei) - schreef ik gelijklopend met de
uitwerking van een choreografie (vaak met Anne-Teresa De Keersmaeker,
medeplichtige van het eerste uur), of van films (in dit geval, de mijne).
Dans en film fungeren dan tijdens het componeren als borstwering. Ze zijn
ongenadig die levende objecten, die zich bewegen in een concrete ruimte, die
niet die van mijn werktafel is, en binnenvallen in de meest bevredigende
gecomponeerde fragmenten om ze onverbiddelijk te censureren. Dat werkt, dat
werkt niet. Het uitgangspunt is meteen duidelijk, het moet dansbaar zijn of het
moet bruikbaar zijn bij de filmmontage. Tijdens het componeren lokt een ander
genot en eist zijn rechten op. Ik weet wel
dat dit pragmatisme zijn grenzen heeft, maar het geeft me voor jaren genoeg
te kauwen, te denken, te voelen. Vandaar een zekere scepsis voor een
componist die met lengtes of hoogten Tetris speelt, die gekluisterd in
Markov-ketens met pijltjes speelt, die met de meest pikante contact lists van
zijn nieuwsgroep Pacman speelt om ze onder te verdelen in tuplets en
time-signature, terwijl de Mac de 55ste interpolatie tussen Tristan en het
thema van de Bodyguard berekent_ als hij zich verkleedt in Zorro om zijn
dwingende systemen in de work shop van de zaterdagavond te laten draaien,
zich random walks en browniaanse bewegingen in het red district van de
zomeracademies van Sim City veroorlooft, als hij te kampen heeft met roos en
vet haar en als hij geel ziet als een stuk witlof dat heeft liggen bruinen
onder de X-stralen van zijn apparaat, als hij ranzig en naar sigarenpeuken
ruikt, mag je hem dat niet kwalijk nemen, want - zoals Wittgenstein zei:
‘waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ En wat de andere
dan strikt artistieke ideeën betreft - psychologische of politieke
irritaties, filosofische theorieën of mystieke geloofsovertuigingen waarop
auteurs zich beroepen om de kleine naaimachine van het sublieme in gang te
zetten en die weliswaar meestal een hele schare volgelingen weten te
rekruteren (zegt men niet dat gelovigen gewilliger naar het front marcheren?)
-, is het intellectueel absurd om zich daarop te moeten baseren om het werk
zelf te appreciëren. Of erger nog: om er de voorwaarden die het mirakel tot
stand zouden kunnen brengen uit af te leiden (ik denk daarbij aan kapitein
Haddock die - in ‘De zeven kristallen bollen’ - vanuit zijn theaterstoel de
trucs gadeslaat van de goochelaar die water in wijn verandert). Maar ik dwaal
af. Muur van
structuur en verzet van het lichaam. Rosas danst Rosas Mijn eerste
stuk schreef ik voor Anne-Teresa De Keersmaeker, waarbij ik met haar vooraf
de regels van het spel en de formele strategie heb afgesproken. Dat
resulteerde in het ballet en de muzikale suite Rosas danst Rosas. Wij waren in die
tijd erg, hm..., begeesterd door de lectuur van Georges Bataille, zijn
analyses over de discontinuïteit, die de taal in de dierlijke continuïteit
introduceert, en alle pogingen tot hereniging waarin extase en transgressie
samengaan. Om dat te gebruiken hadden we eerst een uiterst strikte vorm
nodig, een echte structurele muur, waar de vier danseressen uit alle macht
tegenaan zouden lopen. In dit geval was de structuur een soort sadistische
meester, die de lichamen dwang, snelheid en inspanning oplegde; maar het hele
choreografische vocabularium daarentegen werd beheerst door het verlangen, hoofdzakelijk
uitgedrukt in seksuele attitudes en impulsen. Spanning en contrast dus tussen
een koude, vooraf vastgelegde, onomkeerbare vorm, die recht op zijn logisch
einde aanstuurt en het fysieke talent van de danseressen, over-geërotiseerd
door de eindeloze herhaling van een beperkt aantal figuren met zeer sterke
connotaties. En uiteindelijk verheerlijking van het lichaam als ultiem verzet
tegen het mathematiseren. Dat was de
grote leerschool. Je kunt de algoritmen zo ingewikkeld maken als je wilt, als
je maar toelaat dat de lichamen ze verifiëren en overtreden. Misschien zullen
sommigen hierom lachen, maar ik beweer dat het hier om een politieke houding
gaat. Vandaag, nu het tastbare bestaan van het lichaam steeds opener moet
rivaliseren met machines, komt het erop aan de fysieke aanwezigheid als
criterium voor de betekenis te nemen. Niet elke symbolische productie brengt
betekenis voort. Ook de meest perfect samenhangende syntaxis kan nooit
zichzelf rechtvaardigen. Het is eigenaardig, het is paradoxaal, maar de
muzikale wereld is een plaats waar dat nog gezegd dient te worden, waar dat
zelfs - op een uitschuiver van de taal na - schandalig reactionair kan
lijken. Ik dwing mezelf dus om de vormen die ik produceer een zekere
herkenning te geven, om te wachten en het moment te vatten waarop ikzelf me met de vorm identificeer. Ritmisch
proces: onderscheid en entropie Deze
voorkeur voor de intrusie van de organische vorm in een logische machinatie
heeft me langzaam maar zeker bij het Franse ‘spectralisme’ gebracht.
Processen die verzwakken en de exploratie van grenzen hebben mijn ritmisch
denken gevoed. Mijn eerste stukken speelden met het ritme aan de hand van
figuren, waarbij elke figuur een bepaalde kwaliteit van de beweging
voorstelde, een soort motorische staat van het lichaam, of een danspas. Dat
is bijzonder duidelijk in Musique de Tables, geschreven in 1987, dat zowel een stuk
is voor percussie als een klein handballet. Het is gestructureerd als een
baroksuite - ouverture, rondo, fugato, galop, recapitulatie en coda. Het
ritmische contrapunt maakt gebruik van een beperkt aantal figuren, die
precies, maar ook metaforisch beschreven worden voor de uitvoerders: de
volte, de dactylo, de ruitenwisser, de pianiste, de aanzet, de spitsen,
enz... (Ik heb de gewoonte om, vooral voor mezelf, de figuren die ik gebruik
te benoemen, om een persoonlijk lexicon samen te stellen dat me bij het
componeren altijd ter beschikking staat. De musicoloog André Hebbelinck heeft
me vriendelijk met Robinson Crusoé vergeleken: het heeft geen belang welke
machines er op mijn eiland te vinden zijn, als ik maar elk radertje ervan
naar mijn eigen hand heb kunnen zetten). Maar in dit stuk maak ik reeds op
een min of meer onstuimige manier gebruik van de notie van ‘ritmische
afdruk’: in een bepaalde figuur vervang ik de stiltes door impulsen en
omgekeerd, om complementaire ritmes te creëren, waarbij het ene in het andere
bedekt wordt aangegeven. Ik pas dat vandaag op een meer verfijnde manier toe,
door elke stilte-eenheid, wat ook haar lengte is, te vervangen door een
impuls die precies in het midden van die tijdslengte valt. Door het
resulterende ritme dezelfde behandeling te geven, en dat meermaals achter
elkaar, ontstaan er onvermijdelijk ritmische figuren die steeds vager zijn,
steeds dichter bij de regelmatige pulsatie liggen (wat op ritmisch vlak het
nul-niveau zou kunnen oproepen, de entropie, het niet-georganiseerde; het
specifieke is een ritme dat tot beweging leidt). Bij hoge snelheid kan ik
door dit spel met de grenzen tussen het georganiseerde ritme en de
regelmatige pulsatie een andere ambiguïteit bereiken: die tussen ritme en
hoogte (want sedert Stockhausen weten we en anderen weten dat sedert Fat
Boy Slim dat een frequentie ook een vorm van ritme is). Andere evolutieve strategieën
van dit spel vorm/tegenvorm, moulage/afdruk, kunnen ingezet worden door de
impuls van het centrum naar de marge te verschuiven. Het is allicht te
technisch om hier uiteen te zetten... Ik wil er nog slechts op wijzen dat het
woord ‘vorm’ etymologisch afkomstig is van een oud Grieks (of Etruskisch?)
woord dat: kaasvorm betekent. Zo belanden
we in zeker zin opnieuw bij kapitein Haddock, sorry, laten we het daar niet
meer over hebben. Harmonie:
natuur en dynamisch materiaal Laten we
het veeleer nog eens hebben over die kwestie van frequenties. Door af en toe
les te geven in seminaries, ben ik me bewust geworden van de verwarring die
ik bij tal van jonge componisten teweegbreng als ik hun naïef vraag: ‘en hoe
organiseer je de hoogtes?’. Voor velen van hen lijkt dat zelfs geen relevante
of interessante parameter. Het is vaak op dat moment dat veel duidelijk
wordt, dat je weet wat ze in hun mars hebben. Volgens mij kunnen we niet
langer de economie van het denken van Grisey toepassen, kunnen we niet langer
de kwestie van het akoestisch model uit de weg gaan. En moeten we de
confrontatie aangaan met de vraag die daaruit voortvloeit en die wellicht de
belangrijkste kwestie is van vandaag: akoestische modellen is een ding, maar
hoe ermee te bewegen? Hoe ze te doen bewegen? De tonale muziek
is een complexe topologie, want de kortste weg van c naar d is g. Dat is
natuurlijk veel simplistischer in bijvoorbeeld het ‘academische’ spectrale
model, zonder mogelijk cadenseffect, zonder effect van de leidtoon, waar men
beperkt wordt tot een soort van virtuoze ‘morphing’: van het ene harmonische
veld naar het andere, door loutere translatie. Ikzelf heb een stukje van de
oplossing gevonden in mijn oude ‘arte povera’ bagage. Van de natuurlijke sonore
fenomenen behoud ik slechts de arme drommels, de twijfelaars, die in
innerlijk conflict zijn: multifonieën van de hobo of de klarinet,
frequentiële ‘knopen’ van de cello, enz... Deze klanken zijn dynamisch, ze
zweven, ze zijn van in het begin veelvoudig. Het zijn dergelijke klanken die
ik nodig heb, het zijn diegene die ik in mijn berekeningen importeer. Ze
vormen de grondstof van Kinok en van mijn Quatuor à cordes
[Strijkkwartet]. Anderzijds
pas ik graag een ‘spectrale’ denkmethode toe op de tijden, bijvoorbeeld door
de berekeningsfuncties van de virtuele grondakkoorden om te buigen -
noodzakelijke operatie om de spectrale componenten af te leiden - om de
virtuele pulsaties, die afzonderlijk uitgedrukte impulsen met elkaar
verbinden of die ik tussen twee contradictorische processen klem zet, te
kunnen determineren, (waar ik bijvoorbeeld van houd: een reeks versnellingen
die een reeks vertragingen tegenwerkt, als een wiel dat op de velg in twee is
gesneden en waarvan de twee helften in tegengestelde richting draaien). Of, in
dezelfde geest, produceer ik akoestische ‘zooms’ en orden ik de hoogtes en de
lengtes volgens het perceptieve gewicht van hun frequenties
(door bijvoorbeeld te werken op een multifonie van de hobo, of een
vierstemmig vioolakkoord). De orkestratie van Kinok of Enredadera is op dit principe
gebaseerd. Over het
naturalisme De
componisten, die met spectrale technieken werken, worden enigszins wantrouwig
bekeken. Men vindt ze wat ‘ramistisch’, een beetje naturalistisch, een soort
milieufreaks, die weinig kaas hebben gegeten van de mogelijkheden van het
symbolische universum. Er is sprake van een afkeer van de onderwerping aan de
natuur en van een triomfantelijke affirmatie van de rechten van de
combinatoriek. Dat alles lijkt me nochtans vreselijk ouderwets, al lang
voorbijgestreefd door de alomtegenwoordigheid van de computer. De computer
heeft alle ambachtelijke combinatorische berekeningen nutteloos en roemloos
gemaakt. Een zelfverwijzend logisch systeem wordt door de computer in enkele
seconden uitgevonden, dat werkt altijd, dat vraagt geen slapeloze nachten
meer, noch doodsangsten, noch sterke koffie. Waar echter het experimenteren
nog de moeite loont, het tapijt waarop men zijn slapeloze nachten kan
doorbrengen, dat is het gebied waar de computer het fysieke model op een
revolutionaire manier ondervraagt. Dat gaat veel verder dan een gekibbel
tussen abstractie en figuratie, of tussen getal en natuur.
Poëzie en politiek
Want waar
gaat het over? Over niets meer of niets minder dan poëzie op te wekken. Veel meer
dan een gratuit formeel spel, is de poëzie de inzet van elke echte vrijheid.
Dat men voor een dergelijk avontuur de tijd neemt, dat men er ruimte voor
creëert: dat vormt op zich een politiek. Brussel,
juli 2001 opgetekend
door Jean-Luc Plouvier voor het
Festival Musica in Straatsburg |
|
|
|
|
|