Helmut Oehring en Iris ter Schiphorst
(Prae-Senz, 1997; Foxfire Eins (Natriumpetothal), 1993; Sexton A., 1996.
Helmut Oehring werd in 1961 in Berlijn (het toenmalige Oost-Berlijn) geboren en Iris ter Schiphorst in 1956 in Hamburg. Ze componeren zowel solo, waarbij elk van hen zijn eigen stijl volgt, maar werken ook tweestemmig samen - wat bij componisten uiterst zeldzaam is. Individueel of samen waagden ze zich reeds aan zowat alle genres: opera (met Das DAmato System, vijftien scènes voor een dove vrouw, twee zangers, een recitant, twee dansers en orkest), orkestmuziek (Cruisen, 1999, voor saxofoonkwartet, elektronica en orkest), oratorium (Requiem, 1998), muziektheater (verschillende werken waarin doven optreden) en een groot aantal solos en kamermuziekwerken. Bij een eerste blik op hun partituren valt meteen op hoe moeilijk deze voor de vertolker zijn: extreem snelle of onwaarschijnlijk trage tempi, handicappende instrumentale technieken, hinkende ritmes, uiterst ingewikkelde polyfonieën... Dat is natuurlijk erg gebruikelijk in de hedendaagse muziek, maar hier bekruipt je de twijfel of het gaat om een uitdaging aan de muzikant (om hem een soort paniekklank te ontlokken, een intellectuele spanning op te bouwen waarin de muziek het voortouw neemt) of gewoonweg om een gebrek aan professionalisme. Immers deze twee componisten verbergen geenszins dat ze autodidact zijn en gaan er prat op dat ze geen enkele andere regel volgen dan de beelden, de teksten, de sfeerschetsen - altijd min of meer morbide, gestoord, geperverteerd - die ze samen als uitgangspunt kiezen. Als je hun werk beter leert kennen blijkt dat de waarheid tussen de twee ligt: ongetwijfeld cultiveren zij een soort onzorgvuldigheid, een bewuste slordigheid, tegenover alles wat de klassieke traditie als ideaal van meesterschap, van precisie en zelfcontrole vooropstelt. Zij hebben andere intenties en het publiek moet die maar volgen: dat is hun vorm van snobisme. Dat zou hen duur te staan kunnen komen en maken dat belangrijke orkesten, gerenommeerde solisten en prestigieuze festivals - kortom al diegenen die hun werk ernstig nemen - hen links zouden laten liggen. Maar niets is minder waar: ze zijn de lievelingetjes van de Duitse muziek, hun argeloosheid fascineert en hun rustige arrogantie intrigeert. Ze vervolgen dus opgewekt hun eigen weg, fladderen van de ene opdracht naar de andere, en cultiveren nauwgezet hun foutjes en frisse originaliteit.
Hun muzikale universum is tweeledig, het is een rijk met dubbele bodem. Enerzijds is het totaal doortrokken van de snelheid van deze tijd: doldraaiende snelheid, de overdrive van de informatiestroom. Het is onmogelijk om het bij deze muziek over de vorm te hebben, zoals we dat bij die van Berio of Stockhausen zouden doen, de term montage is hier meer toepasselijk: als in lange videoclips passeren in de partituren van Oehring en Schiphorst clichés en citaten de revue, vluchtige figuren die in elkaar overlopen en door de volgende worden verjaagd. Dezelfde beknopte formuleringen in tweeëndertigste noten, dezelfde melodische fragmenten, dezelfde fetisjritmes doorkruisen al hun composities en passen zich aan alle situaties aan. Ze lijken altijd een herinnering aan iets anders op te roepen, zonder dat je goed weet wat - een flard van een wals, of van een symfonie, van een popsong of gewoonweg van zichzelf. Het is een muziek van de verrassing en de virtuositeit - maar dan wel een virtuositeit die zichzelf wantrouwt: altijd ietwat gestoord, te kort schietend, hinkend. En dan plots blokkeert alles pas goed. Dat is de andere kant van hun werk: een soort ademnood, een vermoeidheid. De kolkende stroom van beelden valt stil, en een venster gaat open op een landschap van ijs en verbijstering. Je bemerkt dat alles van in het begin gesaboteerd was: er lag een deken over de pianosnaren, de snaarinstrumenten waren een kwint te laag gestemd, en de flarden muziek die de synthesizer ten gehore bracht waren vooraf van een oude radio opgenomen.
Dergelijke partituren die zowel akelig precies als uiterst venijnig zijn, vergen van de muzikanten een grote dosis koelbloedigheid en een zekere zin voor improvisatie. Het was moeilijk om de extra spanning die door dergelijke risicos op het podium wordt gegenereerd op de cd te doen overkomen. We zijn tevens vertrokken van het standpunt dat de opname, de montage, de mixage eveneens parameters waren van de eigenlijke interpretatie. De klankruimte is hier volledig artificieel, volgens de nood van het moment overgaand van het ene type nagalm in het andere; bij de montage hebben we de pauzes en de minimale ademhalingstijden die voor het instrumentale spel nodig zijn weggelaten; de elektronische effecten (niet al te ingewikkeld: die van de home studio van de rockmuziek) hebben ertoe bijgedragen om in de akoestische klanken deze lichte vervreemding teweeg te brengen, waaraan Oehring naar eigen zeggen zo gehecht is. JLP
| ||