de vrouwelijke visie, de mannelijke visie — een interview met luca francesconi

 

DE VROUWEN RICHTEN ZICH TOT DE BOSS  

 ‘Voor het libretto van Lips, Eyes, Bang koos ik twee zangen van de Aeneis van Vergilius, die ik zelf heb vertaald. Ik eindig met de vierde zang. Het gaat om het oeroude verhaal: het verhaal van de passie die in conflict raakt met de wetten van de realiteit. Het verhaal van zowel het mannelijke als het vrouwelijke karakter: Aeneas kiest voor de wereld en de wet, en Dido bezingt de hartstochtelijke liefde. Dido, die ook Phaedra of Antigone zou kunnen zijn ­ de vrouw die weerstandloos, en dus ook grenzeloos door de liefde getroffen is. Ze zal tot het uiterste gaan. En zo is dat: vrouwen gaan tot het uiterste, en ze gaan meteen tot het uiterste. Direct. Terwijl mannen de hele doolhof van de maatschappij doorlopen. De verhalen van mannen, van Parsifal bijvoorbeeld, zijn steeds initiatieverhalen, met een labyrintisch parcours doorheen de sociale wereld, en zijn eindeloze beproevingen: weggaan, leren, zich initiëren, zich verbranden, drankjes slikken, en wat dies meer zij. Tot hij het kasteel of het geslacht van de vrouw bereikt en een beetje kan genieten. Maar de vrouwen, nee. Die hebben geen initiatie nodig. Als ze iets te zeggen hebben, zeggen ze dat meteen aan de Boss.  

 

DE TRANEN VAN AENEAS  

Maar tevoren situeer ik de zesde zang: Aeneas, de bleke, de arme Aeneas, die afdaalt in de onderwereld, hij hervindt Dido, hij verontschuldigt zich. Hij weent. Hij weent nog meer, hij beklaagt zich. Hij had geen keuze, hij heeft aan de wetten gehoorzaamd, hij snikt. Wat moet je met een dergelijk personage aanvangen? Ik had hem samen met Dido willen ensceneren, maar ik moest Dido wel alleen brengen. Van Aeneas blijven er alleen snikken over. Snikken op een bandopnemer. Het zijn mijn eigen snikken die ik heb opgenomen! (gelach)

 

OP DE SCHOOL VAN DE POST-AVANT-GARDE  

Met Lips, Eyes, Bang ga ik de confrontatie aan met het woord, ik bedoel met een verhaal. In de jaren ’80 had ik dat niet gedaan, ik had werk genoeg met pogingen om een expressieve controle op de muziek te herwinnen. Al die jaren van structuralisme die we voordien hadden moeten ondergaan_ Er heerste een verbrokkeling, een fragmentatie van de muziek. We moesten de lijnen reconstrueren. Niet een lijn, niet iets povers_ een netwerk van lijnen, een polylineariteit, zo je wil_ Maar niettemin lijnen. En vervolgens circulariteiten, herhalingen. We moesten weer met de tijd van de herhaling, van de lus kunnen spelen, en hem confronteren met de lineaire tijd. Wel, daarna was ik gewapend om mij aan de literatuur te wagen.    

 

HET RISICO VAN BETEKENIS  

De avant-garde had dit probleem op twee manieren weggemoffeld: door de fascinatie voor het fonetische enerzijds, en de montage, de splinter, het fragment anderzijds. Er was geen plaats meer voor het semantische aspect en de autonomie van de tekst. En het is effectief moeilijk om de tekst zijn semantische kracht te laten behouden. Waarom? Omdat je juist moet laten begaan, omdat je iets moet inleveren. Plaats maken. En dus toegeven op het vlak van de muzikale syntaxis, hem lichter, eenvoudiger maken. Je geeft toe wat betreft de zuivere muzikale complexiteit, en je recupereert een ander complexiteit, die van de vervlechting van de codes: muziek, tekst, beeld. Dan ben je vrij om iets verticaals te maken. Of diagonaals. Anders, als je echt vasthoudt aan de syntactische complexiteit, als je alles overlaat aan cijfers, aan berekeningen, dan creëer je laag na laag, en kijk, nog een laag, en satureer je het horizontale niveau. Ik heb geoefend. Opera’s voor de radio. Bijvoorbeeld ‘Ballade de l’Envers du monde’ (Ballade van de achterkant van de wereld), dat in 1994 de Italia prijs kreeg. Ik wilde beelden genereren zonder te kijken. Zoals Calvino zegt: ‘de klanken hebben een achterkant’. Om beelden te maken met de achterkant van de klank, wel, daarvoor moest ik noten uitwissen. Ruimtes laten, en kortsluitingen laten gebeuren.

 

VOOR DE SPREEKSTEM  

Als je de spreekstem niet al te veel cultiveert, ze niet aan fatsoensregels onderwerpt, dan maakt ze de componist bang. Ze draagt, ontketent de hele polysemie van de taal: contradictie, dubbelzinnigheid. Ik vind stemmen van zwarten prachtig. De Lips zangeres Jocelyn B. Smith komt uit de gospelmuziek, en zij is ook actrice. Ik wachtte op een ontmoeting, een toeval, en ik ontmoette haar bij toeval in Rome, bij vrienden. Daarna in Amsterdam, bij Louis Andriessen. En voilà, zij is het geworden.   Ik spuw niet op het gebruik van fonetisch materiaal, dat de dada was van onze vaders, de dada van de avant-garde. Laten we zeggen dat het een niveau is, het niveau van het te bewerken materiaal. Maar je moet er andere niveaus overheen leggen, het semantische toelaten, en daar moet de muziek ruimte voor maken, de ruimte van de betekenis. Daarna moet ze terug de leiding nemen, als ik het zo mag uitdrukken, uit zichzelf betekenis genereren, door haar kracht of haar zwakheid, en dat is het poëtische niveau.  

 

DE VROUWELIJKE VISIE  

Lips is dus een verhaal vanuit vrouwelijk perspectief. Ik wil uiteindelijk een grote Dido, een lange versie van de liefdesgeschiedenis brengen. De video zal alle facetten van het personage belichten: enerzijds haar fysieke lichaam, en anderzijds haar beeld, of eerder wat rest van haar beeld, flarden. Dan volgen verschillende stadia, een methodische herontdekking van beeldflarden en vormeloze energieflarden. Tot deze vrouw terug een lichaam vindt. Ze probeert om terug uit één stuk te worden. Dan, op het einde, in plaats van een ontknoping, opent zich een onverwachte ruimte en projecteer ik mediterrane landschappen. En dat is de ruimte van de Ander die zich opent, als illusie, maar ook als verbinding met de verloren eenheid.  

 

DE MANNELIJKE VISIE  

Mijn volgende opera, in de Munt, zal vanuit mannelijk perspectief vertrekken. Het is een Bildungsverhaal, een verhaal van een ontwikkeling. Naar The rime of the ancient mariner van Coleridge. Een man doodt een vogel, zonder reden, en alles valt uit elkaar. Het is het verhaal van een schipbreuk, van een verlies van alles, van een verlies van de individuatie. Na zijn vernietiging begint het personage terug van nul. Hij moet zelfs een nieuwe naam vinden, om vanuit deze naam de ruimte te herontdekken, en tenslotte de schoonheid te verwelkomen.’  

 

Opgetekend door Jean-Luc Plouvier, juni 2001