|
|
|
|
|
|
De
muur van de harmonie, de muur van de verveling, de muur van de structuur -
Een beetje gemurmel van John Cage ”Nadat ik een maand
bij de architect Goldfinger had gewerkt, waar ik de te moderniseren kamers
opmat, de telefoon opnam en Griekse zuilen tekende, hoorde ik Goldfinger
tegen iemand zeggen: ‘Om architect te zijn, moet je je hele leven uitsluitend
aan architectuur wijden.’ Toen ben ik bij hem weggegaan, want er waren nog
andere dingen die me interesseerden, muziek en schilderkunst bijvoorbeeld.
Vijf jaar later, toen Schoenberg me vroeg of ik mijn leven aan de muziek zou
willen wijden, zei ik: ‘natuurlijk’. Nadat ik twee jaar bij hem gestudeerd
had, zei Schoenberg: ‘Om muziek te kunnen schrijven, moet je een gevoel voor
harmonie hebben.’ Ik zei hem dat ik geen gevoel voor harmonie had. Hij
antwoordde dat ik dan altijd een obstakel zou tegenkomen, dat het zou zijn
alsof ik tegen een muur liep, waar ik niet doorheen kon. Ik zei hem: ‘In dat
geval wil ik mijn leven lang met mijn hoofd tegen die muur lopen.’ ___ ‘Als iets
na twee minuten vervelend is, probeer het dan vier minuten. Als het nog
vervelend is, probeer het dan acht minuten. Dan zestien. Dan tweeëndertig.
Wellicht ontdek je dat het helemaal niet vervelend is..’ ___ ‘Tijdens
een contrapuntles aan de U.C.L.A., riep Schoenberg iedereen aan het bord. We
moesten een probleem dat hij had opgegeven oplossen en ons omdraaien wanneer
we klaar waren, zodat hij de juistheid van de oplossing kon controleren. Ik
deed wat hij gevraagd had. Hij zei: ‘Dat is goed.Vind nu een andere
oplossing.’ Dat deed ik. Hij zei: ‘Nog een’. Ik vond er weer een. En opnieuw
zei hij: ‘Nog een’. Enzovoort. Uiteindelijk zei ik: ‘Er zijn geen oplossingen
meer.’ Dan vroeg hij : ‘Wat is het principe dat aan de basis ligt van al deze
oplossingen?’ ” Een
interpretatie: liefde en verraad bij John Cage Laten we
ons aan een interpretatie wagen van de drie fragmenten van Cage, in de
volgorde waarin ze hier zijn opgetekend. Eerst en vooral de muur van de
harmonie, die volgens Arnold Schoenberg voor Cage een onoverkomelijk obstakel
is. Het ‘gevoel voor harmonie’ is de vaardigheid om het spel van spanningen
en ontspanningen verticaal te hanteren. Bij uitbreiding drijft dit spel op
een grotere schaal dat van de variatie en de repetitie aan en intensiveert
het. Maar de muzikale intentie van Cage, zijn waanzinnige pretentie, is om
het zonder deze noties te doen, en dat is iets wat hij heel duidelijk heeft
gezegd: hij wil muziek maken die niet varieert EN zichzelf niet herhaalt. Een
intentie die letterlijk het gezond verstand tart. Niettemin is Cage daarin
geslaagd, door het feit dat hij radicaal en onvoorwaardelijk van muziek
houdt, of minstens van een bepaalde limiet-idee van de muziek. Hij houdt van
haar en wil dat ze direct en grenzeloos is, grenzeloos en zonder bemiddeling
beschikbaar is. Hij houdt van haar als van een bron, als dé bron. Het heeft
geen belang of de muziek chaotisch is als een stortvloed, of helder als een
rivier, als het werk, de torsie, de dialectiek van spanning en ontspanning,
van de variatie en de herhaling, de stroming ervan maar niet belemmeren, en
ons er maar niet aan herinneren dat zij een kwestie is van vindingrijkheid en
wilskracht, want hij wil dat ze een voortdurend opborrelen is. Een opborrelen
waarvan hij slechts de getuige zou zijn, of waarvoor hij louter als
doorgeefluik fungeert. Met behulp van cijfers, teerlingen, het toeval,
improvisatie, het heeft niet veel belang. En zelfs: ‘opborrelen’ is een te
actief woord, te weinig ‘cageiaans’, dat geen recht doet wedervaren aan de
bijzondere liefde van John Cage voor muziek; opborrelen zou nog een zich
losmaken betekenen; terwijl hij de muziek als een perfecte continuïteit van
de klank ziet en wil, van het onbepaalde continuüm van het sonore, dat op
zijn beurt een perfecte continuïteit is van het eindeloze continuüm van de
stilte. De equatie van Cage is eenvoudig: muziek=klank=stilte. De muziek is
er, is er al, is er altijd al - of ze nu zwijgt of niet. En ze is er des te
meer naarmate men ze met rust laat. Wil dat zeggen dat men niet moet werken?
Jawel, men moet heel hard werken, om zijn fervente en delicate liefde voor
haar onuitputtelijke aanwezigheid te betuigen. Vandaar de
tweede muur waartegen hij loopt: als de muziek zich niet, of nauwelijks -
eventueel een kwestie van achtergrond - onderscheidt van het klank-stilte
continuüm, als ze er altijd al is, om zich te laten horen of te zwijgen, ziet
de luisteraar er geen enkele evolutie in, geen enkele uitdaging en keert er
zich van af. Dan bekoelt de liefde. Het is daar dat Cage, tussen de regels
door, militant wordt en tracht te overtuigen: als eender welke klankenreeks,
als een van de aleatorische fragmenten van het klank-stilte continuüm die ik
je onthul, je verveelt, dan wil dat zeggen dat je uiteindelijk niet genoeg
van haar houdt. Beluister het stuk twee keer, vier keer, tweeëndertig keer,
probeer er meer van te houden. Het is bekend dat er voor Cage geen goede en
slechte klank bestaat. Niet omdat, zoals bij veel andere componisten, alles
een kwestie zou zijn van gebruik of context, noch omdat het er, door een of
andere conventie, om zou gaan om hem al dan niet artistiek te vinden, maar
omdat de bron van het klank-stilte continuüm op zichzelf beminnelijk is, en
hij ons gewoon vraagt om er net zoals hij van te houden. Dat verklaart de
controversen die bij concerten met muziek van Cage gebruikelijk zijn: je
houdt ervan of je houdt er niet van, naargelang je apriori ingesteldheid om
liefdevol te luisteren of niet. Om het leven eenvoudiger te maken kan je
altijd voorwenden dat Cage er slechts op uit was om het burgerlijke denken te
ontregelen, om de grens tussen het mooie en het lelijke neer te halen. Maar
dat klopt niet, want, zoals veel muzikanten die met hem hebben gewerkt
getuigen, wilde John Cage dat zijn muziek mooi was. Daar moeten we het mee
doen. Je hebt heel veel hardnekkigheid nodig om de onthechting van Cage te
verdragen. In feite vereisen de concerten van Cage een zeker geloof. Ze
vragen om te geloven dat het geluidscontinuüm zondeloos is; en als er al
sprake is van zonden, dan zijn het de onze. En dat onze liefde ons ervan zal
redden. Het verhaal
van de derde muur van Cage, het schoolbord van de cursus van Schoenberg,
moeten we wellicht lezen als inleiding tot deze hele geschiedenis. Want het
is duidelijk dat Cage dol was op leren. Hij wilde componist worden, hij wilde
weten hoe hij klanken moest hanteren. Maar wat zegt hij ons heimelijk over
Schoenberg? Hij zegt ons dat deze meester vals speelde, of toch minstens dat
hij hem in de val wilde laten lopen. Ongetwijfeld knaagt achter deze anekdote
over de cursus contrapunt een teleurstelling, of zelfs een blijvende rancune.
Had Schoenberg immers niet beweerd dat de kunst van het componeren iets is
wat niet kan aangeleerd worden? Dat je weliswaar een leerling wat techniek
kunt bijbrengen, hem kunt behoeden voor verkeerde pistes, hem een hart onder
de riem kunt steken - maar dat de basis van de muziekcreatie op geen enkele
manier kan doorgegeven worden. Want iedereen wordt immers verondersteld om
zich met die afwezigheid van een basis te redden. Over deze moed en deze
leegte kun je wel vertellen, maar je kunt nauwelijks meer doen. Hoe moeten we
het verhaal over Schoenberg - natuurlijk in de versie van de leerling die
zich herinnert hoe hem die onmenselijke vraag werd gesteld - dan
interpreteren. Wat gebeurt er wanneer hij van de jonge Cage niet alleen
verwacht dat deze een technisch probleem oplost tot alle mogelijkheden
uitgeput zijn, maar hem bovendien vraagt om te zeggen welke vorm aan de basis
ligt van alle vormen, de formule te geven die alle formules bewijst?
Schoenberg doet niets minder dan Cage brutaal in het niets storten, veinzend
- wellicht met de nodige filosofische ironie - te geloven dat het antwoord op
de vraag naar de basis wel mogelijk is, en dat daar, in het kader van een
cursus, het zoeken ernaar stapsgewijs opgelost kan worden. Dat er dus wel een
antwoord door kennisoverdracht mogelijk zou zijn. Aan de hand
van deze drie fragmenten, die we door het toeval van een compilatie achter
elkaar lazen, willen we het volgende postuleren: John Cage had een soort
openbaring, de verliefde openbaring van het muziek-klank-stilte continuüm.
Dan vroeg hij - kwestie van wat meer te weten te komen - aan een meester om
zijn openbaring te toetsen aan kennis, en hem te leren wat hij ermee moest
doen. Hij voelde zich door de meester in de steek gelaten, door hem
gesommeerd om de onmogelijkheid om de basis door te geven, als een fout op
zich te nemen. De rest, dat wil zeggen, het einde van het verhaal van de
leerjaren van Cage en het begin van zijn kunstenaarsleven, zou als het einde
van een bitterzoet verhaal kunnen geschreven worden, gedesillusioneerd maar
vrolijk: En John keerde terug naar zijn eerste en eeuwige liefde, naar de
zuivere bron, zij die aan zichzelf genoeg heeft. Naar het principe dat aan de
basis ligt van alle oplossingen, de unieke en veelzijdige klank die zelfs de stilte
omvat. Wie niet varieert, herhaalt zich niet en verraadt nooit. JLP |
|
|
|
|
|