Luciano Berio, 1923 - 2005 Een echte muzikant verafgoodt muziek niet. Hij houdt van muziek zoals Baudelaire voorschreef vrouwen te beminnen: “krachtig, eerlijk, oosters, wild.” Berio absorbeerde muziek als een tweede moedertaal: door de polka’s die zijn grootvader componeerde, door de Sicilaanse volksmuziek en door de platen met opera uit zijn kinderjaren. Toen hij als volwassen man terecht kwam in de gouden jaren van de twintigste eeuw (de jaren zestig) hield hij van muziek als een man van zijn tijd: onder het teken van de veelzijdigheid, de variatie, de oneindige ontwikkeling en de verstoring van het lichamelijke via het onderzoek naar de taal. Hij handelde hiernaar zonder te aarzelen en ging traditionele vormen en gestroomlijnde percepties te lijf. Toch verzandde hij hierdoor niet in een melancholische crisis, maar werd zijn onuitputtelijke inspiratie nog sterker gestimuleerd. De cultivering van het hypercomplexe, de pathos van de leegte en de cultus van het spraakgebrek irriteerden hem mateloos. Hij was geobsedeerd door een queeste die zijn leven zou bepalen. Berio wou de verst van elkaar verwijderde realiteiten en de meest diverse zintuigen bij het muzikale betrekken, ze onderwerpen aan een erudiet en vrijmoedig ambacht en hen samenhang verlenen door de kracht van de schriftuur. Voor hem waren al zijn werken processen waarin de kracht van de polyfonie op de proef wordt gesteld, getekend als ze is door de muziekgeschiedenis. Als hij, zoals Guy Scarpetta schreef, “dé grote neo-barokke componist” van zijn eeuw is omdat hij in zijn muziek erotisch gehijg en de versplintering van de taal injecteerde, kan hij ook beschouwd worden als “dé klassieke bewaker” die wil blijven beroep doen op het volledige waarnemingsapparaat, en steeds bereid om de structuur van zijn werken te verduidelijken.
Un vrai musicien n’idolâtre pas la musique. Il l’aime à la manière dont Baudelaire recommandait d’aimer les femmes : « vigoureusement, crânement, orientalement, férocement ». Berio avait reçu la musique en guise de première langue, par les polkas que composait son grand-père, le folklore sicilien, les disques d’opéra dans lesquels baignait son enfance; et comme sa maturité coïncidait avec l’âge d’or du XXème siècle (les années soixante), il aima la musique en homme de son temps : sous l’emblème du multiple et de l’hétérogène, du processus infini, de l’exploration du langage pensée comme subversion du corps. Il le fit sans douter : la dissolution des formes a priori, des perceptions unifiées, des centres et des hiérarchies, rien de tout cela ne l’attirait vers la mélancolie, mais renforçait l’abondance de son inspiration. La mise en scène de l’indéchiffrable, le pathos du vide, le culte de l’aphasie le mettaient en fureur. C’est qu’il était possédé d’une quête obsédante qui le guida toute sa vie : accueillir au sein de la musique les réalités les plus éloignées, les sens les plus divers, et les soumettre à un artisanat érudit et joyeux, leur donner cohérence par la force de l’écriture. Ce qu’il appelait : un processus ; toutes ses oeuvres sont des processus où se met à l’épreuve la puissance polyphonique lorsqu’elle est habitée par le chant et l’histoire. Si, comme l’écrit Guy Scarpetta, il fut « le grand néo-baroque de son siècle », qui injecta dans la musique vocale les halètements et les soupirs, l’ornementation débridée, les pulvérisations de phonèmes, il fut aussi le gardien très « classique » des universaux de la perception, toujours attentif à baliser ses oeuvres de signes lisibles qui en éclairent la structure. J-L Plouvier
Naturale (1986) action musicale sur mélodie sicilienne, pour alto et bande magnétique
mezzo-soprano : Katalin Karolyi | ||||